In 1821 wordt Nicaragua, als deel van een Centraal-Amerikaanse Federatie, onafhankelijk van Spanje. In 1838 wordt het land een onafhankelijke staat. De soms bloedige strijd tussen conservatieven en de meer vooruitstrevende liberalen, die zelfs de hulp van Amerikaanse huurlingen inroepen (o.m. William Walker), bepaalt het politieke landschap. De liberaal en verlicht despoot José Santos Zelaya, die in 1893 aan de macht komt, voert hervormingen door, zoals de scheiding van Kerk en Staat, gratis onderwijs en investeringen in infrastructuur. Ook bevordert hij de integratie van het Oostelijk Caraïbische deel van Nicaragua binnen de natie. Zijn weigering in te stemmen met de aanleg van een kanaal van de Atlantische oceaan naar de Stille oceaan brengt hem in conflict met de VS, die tegenkrachten steunen en mariniers naar Bluefields sturen (1910). De militaire aanwezigheid van de VS zal, met een korte onderbreking, tot 1933 duren. Door eerlijke verkiezingen en het instellen van een beroepsleger, de Nationale Garde, willen de VS een verbetering van het politiek klimaat bevorderen, hetgeen door het steeds weer oplaaien van de strijd tussen conservatieven en liberalen mislukt. Vanaf 1925 voert de socialistisch geïnspireerde revolutionair Augusto C. Sandino, die landhervorming wil doorvoeren, met een guerrillaleger strijd tegen de Amerikaanse mariniers en de Nationale Garde. In 1934 wordt hij op bevel van de opperbevelhebber van de Nationale Garde, Anastasio Somoza, vermoord. Zijn naam wordt later verbonden aan een van de belangrijkste politieke bewegingen in Nicaragua (FSLN).

Augusto Sandino
De familie Somoza voert tot 1979 het bewind over het land en vergaart daarbij aanzienlijke rijkdommen. Na een jarenlange en bloedige burgeroorlog, geleid door de Sandinistische beweging, raakt het bewind van president Somoza zowel nationaal als internationaal steeds meer geïsoleerd. In 1979 delft zijn Nationale Garde na een felle strijd het onderspit, waarna Somoza het land ontvlucht. Een vijfkoppige Junta, waarin naast Sandinisten ook de weduwe van de vermoorde hoofdredacteur van de oppositiekrant 'La Prensa', Violeta Chamorro, zitting heeft, neemt de leiding van het land over. Het leger komt in handen van de Sandinisten. De tegenstelling tussen de politieke doelstellingen van de Sandinisten, politiek georganiseerd in het FSLN ('Frente Sandinista de Liberación Nacional') dat eigen massaorganisaties opricht, en de andere politieke stromingen worden echter steeds duidelijker. Na een verkiezingsoverwinning van de Sandinisten in 1984 wordt Daniel Ortega president en krijgt Nicaragua een parlement. Bij de opbouw van het nieuwe Nicaragua krijgt het land veel internationale financiële steun. Vrijwilligers uit het buitenland helpen bij de wederopbouw. Het beleid van de Sandinisten is gericht op vermindering van ongelijkheid en armoede en ontwikkeling van de bevolking. Toch leidt het centralistisch georiënteerde ontwikkelingsmodel, ondanks de positieve resultaten op het vlak van alfabetisering, onderwijs en gezondheidszorg, niet tot economische groei en welvaart. De Sandinistische regering kampt met een toenemende schuldenlast en hyperinflatie. De gewapende strijd tegen ex-leden van de Nationale Garde, 'contra's' genoemd, die gesteund worden door de VS, slokt steeds meer overheidsmiddelen en arbeidskrachten op. De Reagan-regering stelt een zeeblokkade in en verspert de haven van de stad Corinto met zeemijnen. De verkiezingen in 1990 worden, tegen de algemene verwachting in, gewonnen door de oppositie, verenigd in de UNO (Union Nacional Opositora). Violeta Chamorro wordt President en haar schoonzoon Lacayo premier. Tijdens de regeringsperiode Chamorro komt er een einde aan de binnenlandse gewapende conflicten, maakt het centralistisch bewind plaats voor democratisch bestuur, verandert de geleide economie in een vrije markt en wordt het leger onder burgerlijk gezag geplaatst. De sinds de onafhankelijkheid bestaande politieke polarisatie bepaalt ook de verkiezingen van 1996. Het FSLN met Daniel Ortega als presidentskandidaat wordt verslagen en de Liberale Alliantie, die met 51 procent een volstrekte meerderheid behaalt, levert ook de nieuwe president aan: de voormalige burgemeester van Managua, Arnoldo Alemán Lacayo. Alemán is president tot aan de nationale verkiezingen in november 2001. Deze verkiezingen, waar veel internationale en nationale waarnemers een oogje in het zeil houden, verlopen eerlijk en rustig en worden gewonnen door de Liberale Partij.

Verkiezingen 2001
Op 10 januari 2002 neemt President Enrique Bolaños Geyer de leiding van het land over. In zijn inaugurele toespraak belooft Bolaños zich in te zetten tegen corruptie, door middel van hervorming van de justitiele sector, de kiesautoriteiten en de rekenkamer. Deze hervormingen zouden tevens een einde maken aan het gelegenheidspact tussen Alemán en Ortega waarmee de functies binnen genoemde onafhankelijke staatsinstellingen onderling zijn verdeeld. Op het gebied van schuldvermindering lijkt Bolaños succes te hebben gehad. Nicaragua wordt in december 2000 toegelaten tot het Heavily Indebted Poor Countries (HIPC)-initiatief voor schuldkwijtschelding. Het HIPC completion point wordt bereikt in 2004, als gevolg van het beleid gevoerd door president Bolaños. Doordat Nicaragua voldoet aan de voorwaarden van het HIPC initiatief komt het in aanmerking voor een schuldvermindering van rond de 4.5 biljoen dollar.
In november 2006 wordt Daniel Saveera Ortega van de FSLN weer tot president gekozen. Al in de eerste ronde versloeg hij Eduardo Montealegre (PLC) met een dusdanig verschil dat er geen tweede ronde nodig was. In januari 2007 werd hij ingehuldigd.